Brandweerkorps Surhuisterveen staat paraat sinds 1869

Surhuisterveen - Voor de brandweer van Surhuisterveen is 2019 een bijzonder feestelijk jaar. In juni kon het korps de spiksplinternieuwe kazerne in gebruik nemen, later dit jaar mogen ze eindelijk de nieuwe tankautospuit gebruiken en komend weekeinde wordt het 150-jarig bestaan gevierd met een uitgebreid programma.

,,Hûndertenfyftich jier al? freegje de measte minsken. Ja, it stiet dúdlik yn de gemeentestikken’’, zegt Hylke Kasje, een van de veertien manschappen die het korps van Surhuisterveen op dit moment telt. ,,It is oait útsocht troch ien fan it korps. Hy hat yndertiid de archiven fan Achtkarspelen trochsneupt en doe blykte it 125 jier te wêzen. Dat is dus no 25 jier lyn. En de brandwear kin wat oandacht wol brûke, want it knypt al in bytsje mei de besetting.’’

Opstapper

Veertien is op zich genoeg, want voor een uitruk zijn in elk geval zes personen nodig: een bevelvoerder, een chauffeur en vier spuitgasten. Maar overdag is dat minimumaantal wel eens lastig te halen. Zelf werkt Kasje bijvoorbeeld als gereedschapsmaker bij Enitor in Buitenpost, dus hij kan onder werktijd nooit op tijd in de kazerne zijn. ,,En der binne mear dy’t oerdei net altyd beskikber binne. Sa binne by ús korps twa man skilder, dy binne oerdei faak op paad. As der yn Bûtenpost brân is, kin ik dêr trouwens wol meihelpe as ‘opstapper’. Yn it ferline ha wy hjir yn Surhústerfean ek wolris sokken hân.’’

In de tankautospuit passen acht mensen, maar zodra de minimale zes er zijn kan de wagen vertrekken. Daarnaast heeft het korps nog een busje voor de overige brandweermannen en extra materieel. Die flexibele bezetting is trouwens niet altijd een probleem, legt Kasje uit. ,,Mei minder as seis man kinst ek in kat út’e beam helje.’’ De 49-jarige Kasje is nu 18 jaar bij de brandweer. ,,Ik hie der as jonge op de LTS al ynteresse foar, mar it kaam der noait fan. Doe’t ik by de bedriuwsbrandwear belutsen rekke, hearde ik dat se yn Surhústerfean ek minsken sochten. Sa bin ik der ynrôle.’’

Opgeschaald

Het werkgebied van het korps is Surhuisterveen, een deel van Harkema, Surhuizum, Boelenslaan, Houtigehage, Groninger Opende en Rottevalle (overdag). ,,Froeger lei it gebiet fêst, no binne der dei- en nachtregelingen. Omdat it korps fan Droegeham oerdei ek minder goed beset is, nimme wy dan in stikje fan harren oer.’’

Het korps van Surhuisterveen kan daarnaast worden opgeroepen als een van de buurkorpsen in Drachten, Drogeham, Grootegast, Marum of Buitenpost extra hulp nodig heeft. Dat gaat in zodra wordt opgeschaald tot middelbrand of zelfs tot grote brand en wordt centraal geregeld door de Meldkamer in Drachten.

Niet wenschelijk

Surhuisterveen kreeg haar brandweer in 1869, maar dat ging niet zomaar. Achtkarspelen kreeg al in 1834 het verzoek van de provincie om brandspuiten aan te schaffen, maar de grietenij vond dat ‘niet wenschelijk’. Wel werd ‘eenig brandbluschmateriaal’ aangeschaft. Negen jaar later vond de raad het wel tijd worden om vier brandspuiten te kopen, maar dat geld bleek later nodig voor het lenigen van de armoede in de winter van 1845 op 1846.

In 1865 was het zover dat de eerste brandspuit werd gekocht, maar die was bestemd voor Buitenpost. Daar werd nog datzelfde jaar een brandmeester benoemd en personeel aangenomen. ,,Ik tink dat se dat yn Bûtenpost sels net iens witte, se ha der fjouwer jier lyn yn elk gefal neat oan dien. En wy hâlde dat ek mar moai stil’’, zegt Kasje lachend.

‘Met verschuldigden eerbied’

Dat Surhuisterveen uiteindelijk ook een eigen brandspuit kreeg is te danken aan de bevolking zelf. Op ‘27 februarij 1869’ ontving de gemeente een brief uit het dorp:

Aan den gemeenteraad van Achtkarspelen geven met verschuldigden eerbied te kennen de ondergetekenden, allen bewoners van het dorp Surhuisterveen:

dat de laatste brand bij K.H. Tolsma alhier opnieuw de dringende behoefte aan een brandspuit in dit dorp heeft bewezen,

dat eene brandspuit hier overal bij brand van dienst kan zijn omdat er langs het ganse dorp water aanwezig is,

dat de bezwaren wegens de onkosten aan eene brandspuit verbonden, grootendeels kunnen worden weggenomen door een verdeeling daarvan over twee of meer jaren,

dat zij mitsdien, met het oog op de veiligheid en mogelijke besparingen, den raad verzoeken te willen besluiten dat op dit dorp voortaan een brandspuit aanwezig zal zijn.

de brief was ondertekend door 21 personen, onder wie K.H. Tolsma.

Personeel

Op 26 juni van dat jaar kocht de gemeente bij Van der Ploeg in Leeuwarden een brandspuit voor Surhuisterveen, op 16 oktober werd een verordening op het gebruik der brandspuit te Surhuisterveen aangenomen in de gemeenteraad en op 25 november van dat jaar benoemden burgemeester en wethouders ‘het vereischte personeel bij de brandspuit te Surhuisterveen.’

Als eerste brandmeester werd benoemd Jan Pieters Kingma, tot onderbrandmeester Hendrik Johannes Kuipers, tot spuitgasten Evert Vermeer en Tije Jans van der Meulen en tot bode Albert van der Zwaag. Ook de pompers werden benoemd en dat leverde een lijst op met maar liefst 92 namen. ,,Eins moasten alle manlju tusken 18 en 60 jier ferplicht tsjinst dwaan. De notabelen hoechden fansels net mei te pompen, mar wa’t net koe of woe, dy koe him frijkeapje troch in tientsje te beteljen. En dat wie foar in gewoane arbeider yn dy tiid fansels net op te bringen’’, vertelt Kasje.

Straf van God

De oprichting van het korps in Surhuisterveen staat niet op zichzelf, maar past in het grotere plaatje, dat vooral wordt bepaald door technische en maatschappelijke ontwikkelingen. Heel vroeger was er geen brandweer. Wie brand had maakte dat hij wegkwam en om te blussen moest je de hulp van buren inroepen. In de tijd van de houten huizen met een gat in het dak in plaats van een schoorsteen was er vaak niks te redden en gingen bij brand vaak hele dorpen in vlammen op. Brand werd gezien als een straf van God en daar viel niets aan te doen.

Toen in 1521 keizer Karel V besloot dat alleen nog huizen van steen gebouwd mochten worden en de steden en dorpen opkwamen, werd het noodzakelijk om de brandbestrijding beter te organiseren. De brandwacht deed zijn intrede, maar er was nog niet veel materiaal om vuur te bestrijden. Lange rijen mensen gaven emmers water door en degene die het dichtst bij de vlammen stond gooide de emmer leeg.

Brandspuit met pomp

Aan het begin van de 17e eeuw verschenen de eerste brandspuiten, vergelijkbaar met een injectiespuit en daarna vond Jan van der Heyden de brandspuit met pomp uit. Toen die later op een kar kon worden vervoerd werd het blussen al een stuk professioneler. Vanaf het tweede deel van de 19de eeuw veranderde de organisatie van de brandweer sterk, vooral door de uitvinding van de stoombrandspuit, de motorbrandspuit en de aanleg van waterleidingen. Er waren minder mensen nodig om te blussen, maar die moesten wel beter opgeleid zijn en sneller en makkelijker bij branden komen.

Koning Willem I besloot in 1827 dat alle gemeenten brandspuiten en andere blusmiddelen moesten aanschaffen. De burgemeester kreeg het opperbevel bij brand. Rond die tijd ontstonden ook de vrijwillige brandweerverenigingen, die werden betaald door rijkere inwoners. De gemeenten werden wettelijk verantwoordelijk voor de brandweer en overal ontstonden vrijwillige brandweerkorpsen. Rotterdam kreeg al een vrijwilligerskorps in 1845 en in Alkmaar richtte de turnvereniging ‘Kracht & Vlugheid’ in 1879 een korps op. Ook Kollum heeft het 175-jarig bestaan al gevierd. ,,It sil ek in kwestje fan jild west ha. Yn Kollum siet wat adel, mar dit wie in earme hoeke’’, zegt Kasje.

De brandspuiten waren eigendom van de gemeente of soms ook van verenigingen of brandverzekeringsmaatschappijen. Tijdens de Duitse bezetting werden de gemeentelijke korpsen verder geprofessionaliseerd tot een landelijke organisatie, maar na 1945 kregen de gemeenten de brandweer weer onder hun hoede.

Veiligheidsregio

Midden jaren zeventig werd de gemeentebrandweer omgevormd in regionale korpsen en werd ook samengewerkt met de geneeskundige hulpverleningsdiensten in regionale veiligheidsregio’s. Sinds 2010 zijn er in Nederland 25 van deze veiligheidsregio’s, die zich richten op brandbestrijding, technische hulpverlening, hulpverlening bij ongevallen met gevaarlijke stoffen en rampenbestrijding.

,,Yn Fryslân is de Veiligheidsregio yn 2014 oprjochte en dat hat in goed ding west. Sûnder de Veiligheidsregio hienen wy no net in nije kazerne hân. Hjir ha wy alles wat wy noadich ha. Dit is de earste yn hiel Fryslân dy’t neffens in nije blauwdruk makke is. Hy is energieneutraal en sirkulêr boud, dus stel dat er hjir skielk wei moat, dan kin alle materiaal op in oar plak opnij brûkt wurde.’’ De kazerne aan de Lauwers vervangt de verouderde en te krappe vestiging aan de Badlaan, waar de brandweer bij de gemeente in zat. Tot 1977 was de brandweer gevestigd aan het Torenplein.

Trofeeën

Het nieuwe pand heeft een eigen kantine, waarin diverse trofeeën herinneren aan bijzondere branden. Zo hangt boven de bar het naambord van De Stjelp, het dorpshuis van Groninger Opende. ,,It hiele pand is ôfbrând, mar dat boerd foel fan de gevel ôf en bleau dus oer. Dy reekmelder dêrnjonken komt út in hûs dêr’t wy blust ha. It plestyk is raand, mar hy hat it hjir noch hiel lang dien. As wy in oefening hienen en der kaam reek by frij, dan gong dizze noch ôf.’’

Blikvanger in de kantine is een historische brandweerkoets. ,,Sa’n ien ha se hjir wol hân, mar dizze is fan it korps Dokkum. Sy hienen der dêr gjin rûmte mear foar en doe koenen wy him yn brûklien krije.’’ De antieke koets rijdt zaterdag niet mee in het defilé van oude en nieuwe brandweervoertuigen. ,,Dat hienen wy graach wollen, mar dan moat it grutte rút út ‘e gevel takele wurde.’’

Oefenprogramma

Wat wel meerijdt in het defilé is de voormalige Autospuit die in Surhuisterveen dienst deed van 1984 tot 2003. ,,Dêr binne wy wol bliid mei, want dan ha wy de trije opienfolgjende weinen fan dit korps by inoar. Ek de nijste rydt mei, dy ha wy yn maart krigen, mar yn de earste levering siet in technyske fout. Dy is yntusken oplost, mar der sit ek in oefenprogramma mei it nije luchtdrukskûm oan fêst en dat moatte wy earst folgje. Dat wurdt pas nei de fakânsjes opset. Hy giet wolris mei nei in útruk, mar foarlopich meie wy him dus net brûke.’’

Hylke Kasje heeft in de achttien jaar bij de brandweer van alle uitrukken de gegevens bewaard en verslagen gemaakt. Hij schat dat het er rond de driehonderd zijn. ,,Der sieten leuke putsjes by, mar ek hiel oangripende, lykas brannen en ûngelokken mei deadlike slachtoffers. Dêr moatst wol oer kinne. As minsken soms problemen hawwe is der ek steun foar de kollega’s, in soart slachtofferhelp. Mar dit wurk is dus net te foarspellen. It is mooglik dat wy de rest fan dit jier net wer yn aksje hoege te kommen, mar foar itselde jild is it de kommende moannen alle dagen raak. Witst fan te foaren noait hoe’t it gean sil. Mar wy binne der altyd klear foar.’’

Tekst Fokke Wester